Sign. - Geen zelfstandige rechtsgang minderjarigen: kinderen niet ontvankelijk in beroep tegen uithuisplaatsing


De moeder en haar twee minderjarige dochters hebben verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing te vernietigen. De vader heeft verzocht de dochters niet-ontvankelijk te verklaren en het verzoek van de moeder af te wijzen.
Primair wordt namens appellanten gesteld dat er een eigen zelfstandige rechtsingang voor de dochters (geboren in 2000 resp. 2001) moet zijn omdat hun situatie feitelijk neerkomt op een gesloten plaatsing en zij geen vertrouwen hebben in een bijzonder curator. Subsidiair wordt gesteld dat de dochters(als belanghebbenden) recht hebben op bijstand van een eigen advocaat ter zitting en tijdens het kinderverhoor en voorts dat de kinderen recht hebben op de onderliggende stukken. Nu zij niet in de gelegenheid zijn gesteld zich te laten bijstaan door hun advocaat, hebben zij hun recht om gehoord te worden niet effectief kunnen realiseren hetgeen strijdig is met artikel 12 lid 2 IVRK, nummer 45 van het General Comment, artikel 6 EVRM en de artikelen 24 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ter beoordeling van het hof staat allereerst of de dochters, die nog minderjarig zijn, ontvankelijk zijn in hun hoger beroep. Het hof overweegt als volgt: Het Nederlandse recht kent geen algemeen geldende zelfstandige rechtsingang voor minderjarigen. De ouders zijn de wettelijk vertegenwoordigers van hun kind (artikel 1:245 lid 4 BW) en treden in rechte namens de minderjarige op. Wanneer de belangen van de ouder in strijd zijn met de belangen van de minderjarige kan de rechter in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding of het vermogen van de minderjarige een bijzonder curator benoemen (artikel 1:250 BW). Bij brief van…

Terug naar overzicht