Sign. - Gerechtelijke vaststelling vaderschap na 48 jaar


D is in 1964 geboren uit V. Bij eindvonnis van 6 maart 1967 heeft de rechtbank bewezen geacht dat de moeder van D tussen de 301e en 179e dag vóór de geboorte van D vleselijke gemeenschap heeft gehad met M. Op grond daarvan veroordeelde de rechtbank M tot het betalen van kinderalimentatie, ingaande op de dag van de geboorte van D en voortdurend tot het bereiken van haar meerderjarigheid. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het gezag van gewijsde heeft gekregen. M is in 2002 overleden. Thans verzoekt D tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van M. De rechtbank wijst het verzoek van D af.
In hoger beroep betoogt V dat het vaderschap van M niet alleen blijkt uit voormeld vonnis van 6 maart 1967, maar dat het ook kan blijken uit DNA-materiaal dat bewaard is gebleven in het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU). In dat verband verzoekt V het hof zo nodig het UMCU (ex artikel 843a Rv) te bevelen het DNA-materiaal van M voor onderzoek vrij te geven en vervolgens een deskundigenonderzoek te laten verrichten waarin de vraag wordt beantwoord of het DNA-materiaal van M uitwijst dat hij de vader van D is.
Gelet op de inhoud van de getuigenverklaringen weergegeven in voornoemd vonnis van 6 maart 1967 en het door de rechtbank in dat vonnis daaraan verbonden oordeel, staat voor het hof voldoende vast dat M de verwekker is van D. De in artikel 1:207 lid 2 BW genoemde beletselen doen zich niet voor. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt vast dat M de vader is van V.

(…

Terug naar overzicht