Sign. - Hof ontbindt huwelijk op grond van Somalisch recht


M en V zijn in 1996 in Somalië met elkaar gehuwd. De Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de echtscheiding tussen hen uitgesproken. M heeft in hoger beroep verzocht deze beschikking te vernietigen en V alsnog in haar echtscheidingsverzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen.
Het hof onderzoekt allereerst of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Nu uit de overgelegde stukken blijkt dat de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevindt, komt op grond van artikel 3 lid 1 sub a van de Verordening Brussel II-bis aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het echtscheidingsverzoek.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het echtscheidingsverzoek van toepassing is. V heeft toepassing van het Nederlandse recht verzocht. Nu deze rechtskeuze niet de instemming van M heeft, kan die keuze niet leiden tot toepassing van het Nederlandse recht (artikel 1 lid 4 WCE). Een verzoek tot echtscheiding dient op grond van artikel 1 lid 1 WCE in beginsel te worden beoordeeld naar het gemeenschappelijke nationale recht van partijen (in casu het Somalische recht). Het gemeenschappelijke nationale recht is niet van toepassing indien voor één van partijen een werkelijke maatschappelijke band met het land van de gemeenschappelijke nationaliteit kennelijk ontbreekt (artikel 1 lid 2 WCE). In dat geval is het recht van het land waar partijen hun gewone verblijfplaats hebben, van toepassing (artikel 1 lid 1 sub b WCE). Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat niet is komen vast te staan dat voor een van partijen een werkelijke maatschappelijke band met Somalië ontbreekt, zodat het Somalische recht op het verzoek tot echtscheiding…

Verder lezen
Terug naar overzicht