Sign. - Hof ziet geen noodzaak voor verhuizing


M en V hebben tot mei 2010 een relatie gehad. Uit deze relatie is in 2007 dochter D geboren, over wie M en V gezamenlijk het gezag uitoefenen. Na de beëindiging van de relatie zijn M en V een zorgregeling ten aanzien van D overeengekomen. V wil met D verhuizen naar [A], alwaar zij met haar nieuwe partner wil gaan samenwonen. M weigert toestemming voor de verhuizing te geven. De rechtbank heeft het verzoek van V om haar vervangende toestemming te verlenen, afgewezen. V is hiertegen in hoger beroep gekomen.
V voert aan dat zij met D bij haar partner in [A] wil gaan wonen en daar een nieuw bestaan wil opbouwen. De relatie met haar partner is bestendig, zij hebben trouwplannen en wensen gezinsuitbreiding. Het is voor haar partner niet mogelijk om te verhuizen: hij is eigenaar van drie winkels in [A] en heeft in die plaats een koopwoning. V is thans werkzaam in één van de winkels en is voornemens een pedicuresalon in de woning te beginnen, zodat zij haar werkzaamheden kan combineren met de zorg voor D.
Het hof is van oordeel dat V onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar verhuizing met D naar [A] noodzakelijk is, mede gezien het feit dat V gedurende de relatie met M altijd in [B] heeft gewoond en gewerkt. De stelling dat haar partner niet kan verhuizen vanwege zijn werk en koopwoning, is niet nader onderbouwd en niet gebleken is dat mogelijke alternatieven zijn onderzocht. Daar komt bij dat V onvoldoende alternatieven heeft aangeboden voor het thans bestaande intensieve contact tussen M en D, indien…

Terug naar overzicht