Sign. - Hoge Raad over uitleg echtscheidingsconvenant en passeren van bewijsaanbod van de vrouw


In het echtscheidingsconvenant waren in artikel 3 onder 12 drie bankrekeningen ten name van de man genoemd als 'behorende tot de huwelijksgoederengemeenschap'. De gemeenschap werd in het convenant gescheiden en gedeeld. Het totaalsaldo van de rekeningen wordt in het convenant, anders dan andere banksaldi van partijen, niet gedeeld en niet toegescheiden aan (een van) hen. Volgens de vrouw is er sprake van een vergissing. Volgens de man is dit bewust gebeurd. De vrouw werd niet tot bewijs voor haar stelling toegelaten en gaat in cassatie.
De vrouw heeft aangevoerd dat bij de totstandkoming van het convenant steeds van de verdeling van het gehele bedrag van de huwelijksgoederengemeenschap is uitgegaan, dus inclusief genoemde saldi en dat de man en zijn advocaat nimmer te kennen hebben gegeven een ander uitgangspunt te (willen) hanteren. Zij heeft erop gewezen dat in het concept van het convenant van 5 december 2003, dat door de man voor akkoord is getekend, de saldi worden genoemd in artikel 3 onder 11 en in de artikelen 4 en 5 bij helfte worden toegescheiden aan de vrouw en aan de man. Volgens haar is bij het definitief maken van de tekst van het convenant verzuimd de verwijzing in de artikelen 4 en 5 uit te breiden tot artikel 3 onder 12, dat in het concept nog artikel 3 onder 11 was en in de definitieve versie van het convenant is vernummerd in verband met het tussenvoegen van een aantal andere banksaldi van partijen, die ook bij helfte zijn verdeeld en toegescheiden in het convenant.
Ten bewijze van haar stelling dat nimmer de hiervoor genoemde, door de man ter betwisting van de stelling van…

Terug naar overzicht