Sign. - Hoge Raad: schadevergoeding in geld kan wel verknocht zijn


M en V zijn in 1993 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Als gevolg van een auto-ongeval dat op 23 januari 2005 plaatsvond, heeft M een dwarslaesie. Sindsdien verblijft hij in een verpleegtehuis. Medio 2009 hebben M en de verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval ter zake van de schade een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn alle aanspraken op vergoeding van geleden en in de toekomst te lijden materiële en immateriële schade vastgesteld op een bedrag van € 156.000. M heeft finale kwijting verleend tegen ontvangst van het bedrag. Het huwelijk tussen M en V is in 2012 door echtscheiding ontbonden.
In het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap twisten M en V onder meer over de vraag of de door M ontvangen schadevergoeding aan hem verknocht is in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW. De rechtbank oordeelde dat de door M ontvangen schadevergoeding geheel aan hem verknocht is en derhalve buiten de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap valt.
In hoger beroep oordeelde het hof dat de door M ontvangen schadevergoeding in de huwelijksgoederengemeenschap is gevallen. Daartoe overwoog het hof dat gelden, ongeacht of de betaling daarvan ziet op materiële dan wel immateriële schadevergoeding, niet voldoen aan het voor verknochtheid geldende criterium dat de aard van het desbetreffende goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald, meebrengt dat het goed op bijzondere wijze aan een echtgenoot is verknocht en dat die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt. M stelt daarop cassatie in.
Volgens de Hoge Raad kan de vraag of een goed/schuld, wegens het hoogstpersoonlijke…

Terug naar overzicht