Sign. - Huwelijkse voorwaarden en de redelijkheid en billijkheid


M en V zijn in 1994 gehuwd op huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. Na echtscheiding twisten zij over de vraag of de winsten van de bv, waarvan M sinds 1993 directeur en enig aandeelhouder is, onder het verrekenbeding vallen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, stellende dat M en V impliciet een verrekenbeding zijn overeengekomen dat ook ondernemingswinsten als bedoeld in artikel 1:141 lid 4 BW omvat.
In hoger beroep stelt het hof vast dat volgens de huwelijkse voorwaarden het inkomen als bedoeld in de Wet IB 1964 moet worden verrekend, met uitzondering van de inkomsten die worden belast naar een bijzonder tarief en de inkomsten uit vermogen. Volgens de destijds geldende bepalingen vallen zowel de dividenduitkeringen door de bv als de aanmerkelijk belangwinst (behaald bij vervreemding van de aandelen in de bv) niet onder het periodiek verrekenbeding. Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden niet wijzen in de richting dat de winsten van een bv tussen M en V moeten worden verrekend. Verder komt het hof tot de conclusie dat de stellingen van V onvoldoende aanknopingspunten bieden om te oordelen dat het bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden in 1994 de bedoeling van partijen was dat de niet-uitgekeerde winsten van de bv zouden worden verrekend. Echter, het hof acht het op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat M niet zou hoeven af te rekenen conform de wens van V. Het hof acht daartoe de navolgende omstandigheden doorslaggevend:
1. V heeft opleidingen gevolgd waarmee zij een transportvergunning heeft verkregen die M niet zelf kon verkrijgen. Zonder deze vergunning was M niet in staat geweest…

Terug naar overzicht