Sign. - Huwelijkse voorwaarden: uitleg partij­bedoeling


M en V zijn in 1975 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In de akte van huwelijkse voorwaarden zijn zij onder meer het volgende overeengekomen: 'Er zal tussen de echtgenoten generlei gemeenschap van goederen – hoe ook genaamd – bestaan. Dientengevolge zullen alle zaken, welke de echtgenoten ten huwelijk aanbrengen of gedurende het huwelijk, op welke wijze ook, verkrijgen, ieders persoonlijk eigendom zijn en blijven. De geschenken, die ter gelegenheid van de voltrekking van het huwelijk van de comparant-bruidegom met de comparante-bruid door hun wederzijdse familieleden, vrienden en/of kennissen zullen worden gedaan, zullen geacht worden te zijn gedaan aan de comparante-bruid alleen en mitsdien aan haar in privé-eigendom verblijven.'
Nadien zijn de huwelijkse voorwaarden niet gewijzigd. In het kader van hun echtscheiding twisten partijen over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Volgens M is er nooit uitvoering gegeven aan de huwelijkse voorwaarden en dient er te worden afgerekend alsof partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd. V bepleit afrekening overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden.
De rechtbank volgt het betoog van V en oordeelt dat de huwelijkse voorwaarden onverkort van toepassing zijn. Volgens de rechtbank zijn partijen het erover eens dat het hun bedoeling was om hun vermogens gescheiden te houden. Bovendien, zo oordeelt de rechtbank, zijn de huwelijkse voorwaarden nimmer gewijzigd, hetgeen een aanwijzing is dat partijen hebben beoogd de oorspronkelijke voorwaarden in stand te houden.
In hoger beroep stelt het hof voorop dat een gemeenschappelijke bedoeling van partijen hun vermogensrechtelijke verhouding in hun onderlinge relatie te laten bestaan, alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd, de tussen hen overeengekomen huwelijkse…

Verder lezen
Terug naar overzicht