Sign. - Impliciet verweer volstaat niet


M geeft advocate A in januari 2009 opdracht hem juridische bijstand te verlenen in een echtscheidingsprocedure. Op 1 mei 2009 dient V (de toenmalige echtgenote van M) een verzoekschrift voorlopige voorzieningen bij de rechtbank in. Daarin verzoekt V onder meer om partneralimentatie met ingang van 1 april 2009. Op 1 juli 2009 dient A namens M een verweerschrift in tegen het verzoekschrift bij de rechtbank. In het verweerschrift neemt A niet expliciet stelling tegen de ingangsdatum 1 april 2009. Wel geeft zij aan dat M vanaf januari 2009 € 2.500 partneralimentatie per maand betaalt. De rechtbank bepaalt op 8 september 2009 dat M met ingang van 1 april 2009 maandelijks een bedrag van € 5.422 aan partneralimentatie aan V dient te voldoen. Op 18 mei 2010 wordt de echtscheiding uitgesproken.
A heeft volgens M tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij zijn belangen niet deugdelijk heeft behartigd. Noch in haar verweerschrift op 1 juli 2009, noch tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft zij verweer gevoerd tegen de ingangsdatum (1 april 2009) van de gevorderde partneralimentatie. A betwist dat en verwijst naar het door haar opgestelde verweerschrift waarin zij de financiële gang van zaken tussen M en V vanaf 1 januari 2009 uiteen heeft gezet. Voorts heeft zij tijdens de mondelinge behandeling op 25 augustus 2009, toen bleek dat V van M de ingangsdatum voor voorlopige voorzieningen van 1 april 2009 handhaafde, daartegen verweer gevoerd, aanhakend bij haar verweerschrift. M betwist dit.
De Raad van Discipline is van oordeel dat, nu in het verzoekschrift voorlopige voorzieningen uitdrukkelijk als ingangsdatum van de partneralimentatie 1 april 2009 is gevraagd, A hier…

Terug naar overzicht