Sign. - Niet-wijzigingsbeding


De man en de vrouw hebben een echtscheidingsconvenant gesloten. Hierin is met betrekking tot de zowel de kinder- als de partneralimentatie een niet-wijzigingsbeding opgenomen. De man beroept zich met betrekking tot de partneralimentatie op artikel 6:258 lid 1 BW. Beoordeeld dient te worden of de omstandigheid dat de woning langer te koop heeft gestaan dan door partijen voorzien was ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant een zodanige onvoorziene omstandigheid is dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Volgens vaste jurisprudentie zal aan dit vereiste niet spoedig zijn voldaan; redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe. De rechtbank zal dus in het algemeen terughoudendheid moeten betrachten ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel vaststaat dat voor partijen sprake is van onvoorziene omstandigheden, dit niet zodanige omstandigheden zijn dat de vrouw ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Het tijdsbestek tussen de verwachte en de uiteindelijke verkoopdatum is niet groot en de hoogte van de door de man betaalde extra woonlasten is evenmin substantieel. Hieruit volgt dat het beroep van de man op het bepaalde in artikel 6:258 lid 1 BW niet slaagt.
Voor zover de man nog een beroep heeft willen doen op het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW oordeelt de rechtbank dat van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden geen sprake is. In dat kader heeft de man behalve de omstandigheid dat de woning langer te koop heeft gestaan dan verwacht…

Verder lezen
Terug naar overzicht