Sign. - Omvang verplichting lidstaat inzake omgang tussen vader en kind


In 1999 verhuist V met haar zoon vanuit Albanië naar Italië, om zich aldaar voor haar ziekte te laten behandelen. M voegt zich later bij zijn gezin. Na een geschil met zijn schoonfamilie, en omdat hij niet over een verblijfsvergunning beschikt, keert M in 2002 terug naar Albanië. Korte tijd later overlijdt V. Haar zus verzoekt de rechtbank met succes haar met het gezag over het kind te belasten. De rechtbank bepaalde daarbij voorts dat het kind Italië niet mag verlaten en schort de ouderlijke rechten van M op. In 2003 zoekt M contact met zijn zoon. In 2004 is de situatie voor het kind in Italië met betrekking tot het verblijf en opvang genormaliseerd. In 2007 laat het kind de rechtbank weten geen contact met M te willen, omdat die hem in het verleden slecht behandeld zou hebben.
Omdat een procedure in Italië niet tot een beslissing leidt, maakt M een procedure in Albanië aanhangig. De Albanese rechter bepaalt daarop dat M recht heeft op contact met zijn zoon. De tante, waar het kind verblijft, wordt veroordeeld M in de gelegenheid te stellen zijn zoon te zien. M neemt daartoe contact op met de Albanese autoriteiten, die hem mededelen niet de bevoegdheid te hebben om de Italiaanse autoriteiten tot naleving van het Albanese vonnis te dwingen.
Met een beroep op artikel 8 EVRM (recht op family life) klaagt M bij het EHRM dat de Albanese autoriteiten zijn recht op contact met zijn zoon niet hebben verzekerd. Het EHRM stelt voorop dat bij de beoordeling of de lidstaat aan zijn verplichting heeft voldaan, het belang van het kind voorop staat…

Terug naar overzicht