Sign. - Ondanks crematie is gerechtelijke vaststelling van het vaderschap mogelijk


Ondanks de crematie van zijn vermeende biologische vader (M) na diens overlijden, heeft X een verzoek ingediend tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat een DNA-onderzoek bij M niet kan plaatsvinden omdat hij is gecremeerd, niet per definitie meebrengt dat het vaderschap niet vastgesteld zou kunnen worden. Als er concrete, objectieve en verifieerbare aanwijzingen bestaan die het verwekkerschap ondersteunen, kan het verzoek alsnog worden toegewezen. In casu kan uitgegaan worden van de volgende feiten en omstandigheden:
1. uit DNA-onderzoek is gebleken dat er een biologische verwantschap in de mannelijke lijn bestaat tussen X en een broer en een zoon van M;
2. op basis van het DNA-onderzoek kan in casu geen onderscheid worden gemaakt tussen een halfbroer- en een oom-neefrelatie;
3. de moeder van X heeft verklaard dat M de biologische vader is van X;
4. de weduwe van M heeft verklaard dat M heeft gezegd dat X zijn zoon is;
5. volgens X verkeerden hij en M altijd in de veronderstelling dat X als kind erfgenaam van M zou zijn.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank het vaderschap tussen X en M vast (artikel 1:207 BW).

(Rechtbank Den Haag 27 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:1234)

Terug naar overzicht