Sign. - Ontslagvergoeding en partneralimentatie


M en V zijn in 2007 gehuwd. Hun huwelijk is in 2011 door echtscheiding ontbonden. Uit het huwelijk is één kind geboren. Bij beschikking van 8 juni 2011 van de Rechtbank Amsterdam is bepaald dat de man € 597,50 per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen en € 835 per maand aan partneralimentatie. In november 2010 heeft M, die tot dat moment in loondienst werkzaam was, een ontslagvergoeding van € 84.708 ontvangen. Daarvan heeft hij € 75.000 geïnvesteerd in een fietsenwinkel met werkplaats.
M verzoekt de beschikking van 8 juni 2011 te vernietigen en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen. Volgens M ontbreekt het hem aan draagkracht, nu de fietsenwinkel tot op heden een negatief resultaat heeft behaald.
Volgens V is het vertrek van M bij zijn voormalig werkgever een vrijwillige keuze geweest en moet, bij de bepaling van de draagkracht van M, worden uitgegaan van zijn verdiencapaciteit.
Het hof is van oordeel dat V haar stelling met betrekking tot de vrijwillige beëindiging van het arbeidscontract van M, gelet op diens gemotiveerde betwisting, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof acht, evenals de rechtbank, voldoende aannemelijk geworden dat het voor M, gezien zijn gezondheidsklachten en de huidige financiële crisis, niet eenvoudig zal zijn om een vergelijkbare functie al dan niet op een ander werkgebied te vinden. Het hof verwerpt daarom de stelling van V dat bij de bepaling van de draagkracht van M dient te worden uitgegaan van een verdiencapaciteit die gelijk is aan het salaris dat hij bij zijn voormalig werkgever verdiende. Vervolgens is de vraag aan de orde of…

Verder lezen
Terug naar overzicht