Sign. - Ook hof acht huwelijkse voorwaarden en vaststellingsovereenkomst ongeldig


M en V zijn in 1985 gehuwd op huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding ter zake van hun onverteerde inkomsten. In 2007 zijn de huwelijkse voorwaarden gewijzigd, waarbij onder meer een finaal verrekenbeding bij overlijden is toegevoegd. Verder is het begrip 'inkomen' nader gedefinieerd, waardoor M de winsten van zijn BV's niet met V hoeft te verrekenen. Op dezelfde dag hebben M en V bij de notaris een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat zij ter zake van het verleden geen recht hebben op een verrekenvordering. Naar aanleiding van hun echtscheiding in 2009 heeft V op grond van dwaling de vernietiging gevorderd van zowel de huwelijkse voorwaarden als de vaststellingsovereenkomst.
De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. In hoger beroep bekrachtigt het hof het vonnis en overweegt daartoe onder meer als volgt. Zowel M als V heeft gedwaald bij wijziging van het inkomensbegrip in de huwelijkse voorwaarden Naar het oordeel van het hof betekent de wijziging van de huwelijkse voorwaarden zonder meer een verslechtering van de positie van V. Het inkomensbegrip voor de verrekening is aanzienlijk ingeperkt. M spreekt van het actualiseren van het inkomensbegrip, maar het hof beschouwt dat als een eufemisme voor inperking. Immers, in 1985 vielen alle inkomsten eronder en in 2007 niet meer. Deze wijziging van de huwelijkse voorwaarden was zeer nadelig voor V in geval van echtscheiding. V ging daar evenwel niet vanuit bij het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden. M ging hier evenmin vanuit, want volgens hem was de positie van V zelfs verbeterd. M verwijst hierbij naar de opvatting van de notaris daarover, maar de voordelen die de notaris in de huwelijkse voorwaarden meent…

Terug naar overzicht