Sign. - Ook hof oordeelt dat verdeling van lijfrentepolis (box 1) leidde tot IB-heffing


Het huwelijk van M en V is door echtscheiding ontbonden. Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorden onder meer lijfrentepolissen die door M zijn afgesloten. Voor de inkomstenbelasting heeft M de betaalde premies ten laste van zijn inkomen gebracht. M en V zijn overeengekomen dat de lijfrentepolissen aan M worden toegedeeld en dat V recht heeft op verrekening van de helft van de waarde daarvan (minus 30% belastinglatentie). Naar aanleiding hiervan heeft V in 2006 een geldbedrag van M ontvangen. In navolging van de belastinginspecteur heeft de rechtbank geoordeeld dat V op grond van artikel 3.102 lid 3 Wet IB 2001 over dit bedrag inkomstenbelasting is verschuldigd. In hoger beroep heeft het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Ingevolge artikel 3.102 lid 3 Wet IB 2001 behoort tot de aangewezen periodieke uitkeringen hetgeen bij echtscheiding wordt ontvangen ter zake van het recht op verrekening van (a) pensioenrechten en (b) lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen als de premies als inkomensvoorziening aftrekbaar waren.
In casu zijn de vanaf 2001 betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening en de vóór 2001 betaalde premies als persoonlijke verplichtingen als bedoeld in artikel 45.1.g Wet IB 1964 in aanmerking genomen. Hoewel de Invoeringswet Wet IB 2001 geen bepaling bevat op grond waarvan de laatstbedoelde premies voor de toepassing van artikel 3.102 lid 3 Wet IB 2001 worden aangemerkt als uitgave voor inkomensvoorziening, is het hof van oordeel dat uit de systematiek van de Invoeringswet Wet IB 2001 met betrekking tot lijfrenten volgt dat deze premies voor de toepassing van artikel 3.102 lid 3 Wet IB 2001 als zodanig aangemerkt moeten worden.
Anders dan V stelt…

Terug naar overzicht