Sign. - Partner krijgt voor verbouwing geen vordering uit ongerechtvaardigde verrijking


M en V hebben ongehuwd samengewoond in de woning die uitsluitend eigendom is van V. Na het verbreken van hun relatie, twisten partijen over de vraag of M recht heeft op een vergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking omdat hij de woning heeft verbouwd. M eist, naast een vergoeding voor de door hem betaalde materialen, een vergoeding voor zijn arbeid.
Het hof oordeelt ten aanzien van de materiaalkosten dat M niet aan zijn stelplicht heeft voldaan dat hij deze heeft betaald, zodat zijn vordering op dit punt strandt. Wat betreft de arbeid die M in de verbouwing heeft gestoken (in totaal 2.470 uur, aldus M), overweegt het hof onder meer dat V weliswaar door deze werkzaamheden is verrijkt en dat deze verrijking ongerechtvaardigd is, maar dat voor een vordering op grond van artikel 6:212 BW tevens is vereist dat sprake is van verarming aan de zijde van M, bijvoorbeeld door geleden verlies of gederfde winst/inkomsten. Naar het oordeel van het hof heeft M ook ten aanzien van de door hem gestelde werkzaamheden niet aan zijn stelplicht voldaan. Het had op zijn weg gelegen te onderbouwen waaruit zijn schade bestaat (welke concrete andere werkzaamheden heeft hij vanwege de verbouwing niet kunnen verrichten?) en hoe hoog zijn schade is (welke inkomsten vloeiden uit die andere, gemiste werkzaamheden voort?). De kosten die M thans in rekening brengt voor de door hem verrichte verbouwingswerkzaamheden (2.470 uur x een uurtarief van € 36,50, zijnde in totaal € 90.000), kunnen naar het oordeel van het hof niet zonder meer als schade worden bestempeld. Uit de…

Terug naar overzicht