Sign. - Peildatum verdeling


Ten aanzien van de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding staat tussen partijen vast dat M – evenals V – in eerste aanleg de echtscheiding zelfstandig heeft verzocht. M stelt zich thans op het standpunt dat de rechtbank de echtscheiding tussen partijen ten onrechte heeft uitgesproken. Ter zitting heeft M zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, nu V volgens hem inmiddels duidelijk heeft laten blijken dat van een verzoening niet langer sprake kan zijn.
Het hof is van oordeel dat uit vaste rechtspraak volgt dat het rechtsmiddel van hoger beroep niet is gegeven om aan een partij wier verzoek tot echtscheiding door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken omdat die partij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien. Derhalve is M niet-ontvankelijk in zijn beroep ten aanzien van de echtscheiding.
Partijen waren gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Nu partijen het niet eens zijn over de bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap in acht te nemen peildata gelden de navolgende hoofdregels:
1. voor het vaststellen van de omvang en samenstelling van de te verdelen huwelijksgemeenschap geldt als peildatum de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (nb. het hof bedoelt hier: samenstelling), en:
2. voor het vaststellen van de waarden van de te verdelen gemeenschapsgoederen geldt de datum van de feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of uit de beginselen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit (nb. het hof bedoelt hier: omvang).
Genoegzaam is vast komen te staan dat er tussen partijen nog…

Verder lezen
Terug naar overzicht