Sign. - Plichten feitelijk beleidsbepaler


Gelet op het systeem van art. 2:248 BW en art. 6:6 e.v. BW, is thans in deze vrijwaringszaak de vraag of Smelik (eiser) als bestuurder en De Regt (gedaagde) als feitelijk beleidsbepaler beiden hoofdelijk aansprakelijk waren jegens de curator voor het tekort van de boedel of dat één van hen zich kan disculperen in de zin van art. 2:248 lid 3 BW. De rechtbank is van oordeel dat geen van partijen een beroep op disculpatie toekomt. Daarvoor is immers vereist dat een bestuurder of feitelijk beleidsbepaler bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Smelik noch De Regt heeft voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van bedoelde maatregelen. De conclusie is dat zowel Smelik als De Regt jegens de boedel aansprakelijk waren op grond van art. 2:248 BW. Dat de vordering van de curator op Smelik is toegewezen op grond van het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW vanwege de te late deponering van de jaarrekening doet niet af aan De Regt's bijdrageplicht, nu ook op de feitelijk beleidsbepaler de verplichting tot deponering van de jaarstukken rust (HR 23 november 2001, «JOR» 2002/4). Nu vaststaat dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak is van het faillissement, dit aan beide partijen toe te rekenen is en geen van de door partijen aangevoerde argumenten tot de slotsom leidt dat een…

Verder lezen
Terug naar overzicht