Sign. - Rechtsverwerking met betrekking tot indexering van pensioenrechten


M en V zijn in 1958 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In 1985 wordt hun huwelijk door echtscheiding ontbonden. In september 1994 staan partijen opnieuw voor de rechter, omdat V aanspraak maakt op de tijdens het huwelijk door M opgebouwde pensioenrechten. Bij vonnis van 21 oktober 1994 wordt M veroordeeld tot betaling van een achterstallig bedrag van ƒ 13.264,15 en tot betaling van ƒ 1.170,74 per maand. M heeft voormeld achterstallig bedrag aan V betaald. Ook de maandelijkse betalingen heeft hij aan V voldaan, zij het zonder toepassing van (verdere) indexering. Bij brief van 20 mei 2009 maakt V jegens M aanspraak op betaling van € 16.326,90 wegens achterstallige pensioenuitkeringen in verband met de uitgebleven wettelijke indexering van dat pensioen. M weigert te betalen, waarop V de gang naar de rechter onderneemt. Naar het oordeel van het hof kan uit het vonnis van 21 oktober 1994 niet worden afgeleid dat, zoals V heeft aangevoerd, de rechter de toekomstige indexeringen, al dan niet impliciet, heeft toegewezen en evenmin dat hij deze heeft afgewezen. Het enige dat als vaststaand aangenomen kan worden, is dat in het vonnis de toekomstige indexeringen niet zijn toegewezen. Het dictum is wat dat betreft niet voor meer dan een uitleg vatbaar: het staat er simpelweg niet in. Dat betekent dat V er niet zonder meer op mocht vertrouwen dat haar aanspraak ook wat betreft de toekomstige indexeringen voldoende verzekerd was. Het lag volgens het hof dan ook op haar weg om (1) zich ervan te vergewissen dat M, ondanks het ontbreken…

Terug naar overzicht