Sign. - Rekken van de procedure komt vrouw duur te staan


M en V zijn in 2006 met elkaar gehuwd. In 2010 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat M € 120 per maand aan partneralimentatie dient te voldoen.
In geschil zijn de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding en de door M te betalen partneralimentatie.
M voert aan dat V misbruik heeft gemaakt van (proces)recht door, na eerdere erkenning van de duurzame ontwrichting van het huwelijk, deze (aanvankelijk) in hoger beroep wederom te betwisten, waarmee zij de duur van het huwelijk wil oprekken met het oog op de uitwerking van artikel 1:157 lid 6 BW (kinderloos huwelijk korter dan vijf jaren). M verzoekt daarom de duur van zijn alimentatieverplichting te beperken tot 18 mei 2015.
Het hof is met M van oordeel dat V door haar opstelling in deze procedure misbruik van recht dan wel misbruik van haar processuele bevoegdheid heeft gemaakt. Daartoe overweegt het hof het volgende. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg op 3 september 2010 heeft (de advocaat van) V verklaard dat zij de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet langer betwist, dat zij haar verzoek M niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot echtscheiding intrekt en dat zij de rechtbank verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. In hoger beroep heeft V geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die een wijziging van dat standpunt, bezien in het licht van de stelling van M dat V de duur van het huwelijk wil oprekken met het oog op de uitwerking van artikel 1:157 lid 6 BW, kan verklaren en/of rechtvaardigen. Nu partijen…

Terug naar overzicht