Sign. - Stil pandrecht op vorderingen op naam


De bank was bevoegd de kredietrelatie, ook na toetreding van eiseres, op te zeggen en de totale vordering ineens op te eisen, zoals zij laatstelijk bij brief van 16 mei 2011 heeft gedaan. Ook staat vast dat eiseres de opeisbaar geworden vordering vervolgens niet terstond geheel heeft voldaan. De bank mocht derhalve haar pandrecht op de vordering van eiseres openbaar maken en dus uitoefenen en daartoe de debiteuren aanschrijven dat zij nog slechts bevrijdend aan de bank konden betalen. De bank hoefde geen genoegen te nemen met de stelling, die thans wordt ingenomen, dat de debiteuren allemaal goed van betalen waren en dat de betalingen wel binnen zouden komen, ook zonder dat de bank haar pandrecht openbaar hoefde te maken, wat er overigens ook van die stelling zij. Het zou slechts anders zijn indien de bank misbruik van bevoegdheid zou maken door het pandrecht in te roepen. Hiervan is niet gebleken, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de voorgeschiedenis de bank niet noopte er zonder meer op te vertrouwen dat alle betalingen van debiteuren ook zonder openbaarmaking van het pandrecht in mindering op de openstaande vordering zouden komen. Het stond de bank vrij het pandrecht in te roepen en daarom ook Mirus in te schakelen. Volgens de bank kon zij de kosten van Mirus op grond van art. 14.1 algemene bepalingen ten laste van eiseres brengen. Gezien de tekst van art. 14.1 algemene bepalingen ligt het immers voor de hand om aan te nemen dat in beginsel alle kosten voor rekening van eiseres komen die verband houden met handhaving en uitoefening van de rechten van de bank. De stelling van eiseres dat…

Verder lezen
Terug naar overzicht