Sign. - Teruggeleiding van minderjarigen naar Ivoorkust


Nadat de kinderen voor een vakantie in Nederland bij de moeder zijn geweest, zijn ze niet naar Ivoorkust teruggekeerd. De vader vraagt, nu Ivoorkust geen verdragsland is, op grond van de Uitvoeringswet toepassing van het HKOV. De moeder beroept op de weigeringsgronden van artikel 13 lid 1 sub b (politiek instabiele situatie in Ivoorkust en huiselijk geweld ten huize van de vader) en van artikel 13 lid 2 (verzet van de kinderen).
De rechtbank stelt vast dat in ieder geval de vader is belast met het gezag en baseert zich hiervoor op de uitspraak waarin de echtscheiding is uitgesproken. Niet in geschil is dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Ivoorkust is gelegen en dat er dat sprake is van ongeoorloofde achterhouding van de minderjarigen in Nederland in de zin van het Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken sinds de achterhouding van de minderjarigen in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient – ingevolge artikel 12 HKOV – in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van een of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 HKOV.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder haar stelling dat de politieke situatie in Ivoorkust zodanig is dat de minderjarigen ingeval van teruggeleiding zullen worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of dat zij op enigerlei andere wijze worden gebracht in een ondragelijke toestand, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vader, onvoldoende onderbouwd. In dit verband overweegt de rechtbank dat uit het door de moeder overgelegde ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken weliswaar blijkt dat de situatie in Ivoorkust rumoerig is geweest, …

Terug naar overzicht