Sign. - Testamentair bewind versus ouderlijk vruchtgenot


Op 18 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:983) oordeelde de Hoge Raad over de vraag of de bewindvoerder de bevoegdheid toekomt om te bepalen dat renteopbrengsten van een bankrekening met een zogeheten BEM-clausule pas bij de meerderjarigheid van de erfgenaam, die de rechthebbende is van deze rekening, opeisbaar zijn. Of is deze niet-opeisbaarheid onverenigbaar met het ouderlijk vruchtgenot? Het betrof hier een vraag over de verhouding tussen de bepalingen van Boek 1 BW en die van Boek 4 BW: in hoeverre kan de testateur (en in het verlengde daarvan: de bewindvoerder) afwijken van de regels die in Boek 1 BW gesteld zijn over de minderjarige en diens wettelijke vertegenwoordiger? De auteur bespreekt deze vraag, waarbij zij eerst de casus bespreek die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad.

(T.J. Mellema-Kranenburg, JBN – Juridische Berichten voor het Notariaat 2014/2)

Terug naar overzicht