Sign. - Toepassing Wvp in geval huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt voor datum inwerkingtreding van die wet


M en V zijn op 7 juni 1990 op huwelijkse voorwaarden, houdende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen, met elkaar gehuwd. In artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald: 'Er vindt geen verrekening plaats van de waarde van aanspraken op al of niet ingegaan pensioen.' Op 8 november 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. V heeft daarna bij het ABP een formulier ingediend waarmee zij aanspraak maakt op verevening krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvp) van het door M bij dit pensioenfonds opgebouwde pensioen.
De kwestie die partijen verdeeld houdt, is de vraag of artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden, waarin zij uitdrukkelijk hebben bepaald dat geen verevening van pensioenrechten plaatsvindt, kan worden beschouwd als een regeling als bedoeld in artikel 11 Wvp. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen met artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden kennelijk de bedoeling gehad om bij een beëindiging van hun huwelijk over en weer de waarde van de pensioenaanspraken buiten iedere verrekening/verdeling te houden. Zij hebben daarmee, zo stelt de rechtbank, impliciet ook beoogd uitdrukkelijk af te wijken van de in artikel 11 Wvp voorgeschreven verevening van pensioenrechten. De rechtbank heeft V daarop veroordeeld ABP te berichten dat zij afziet van pensioenverevening en dat zij om die reden geen aanspraak meer zal maken op het verevende pensioen van M. V gaat in hoger beroep. Volgens het hof ligt de oplossing van het geschil besloten in het arrest van de Hoge Raad van 19 november 2010 (LJN BN7893). Met de bepaling van artikel 11 Wvp (dat slechts dan geen pensioenverevening overeenkomstig die wet plaatsvindt indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden…

Terug naar overzicht