Sign. - Toewijzing huurrecht voormalig echtelijke woning


Het hof overweegt dat beide partijen belang hebben bij toewijzing van het huurrecht van de woning. Het hof overweegt echter voorts dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man de sterkste (emotionele) band heeft met de woning en de wijk. Immers, uit GBA-uittreksels blijkt dat de man het huis met zijn ouders en zijn broers en zussen vanaf 1959, toen de man 5 jaar oud was, heeft bewoond. De man heeft er aansluitend tot zijn 27e jaar gewoond en vervolgens wederom vanaf zijn 44e jaar tot 17 november 2010, toen het gebruik van de woning bij voorlopige voorziening aan de vrouw werd toegewezen. De man heeft in 2003, na het overlijden van zijn vader, het zelfstandig huurrecht gekregen; de vrouw is in 2004 bij de man gaan wonen en is in 2005 uit hoofde van haar huwelijk met de man als medehuurster aangemerkt. Dat de vrouw evenals de man aan de woning gehecht is geraakt, acht het hof begrijpelijk, doch het hof kent aan de emotionele binding die de man – door de veel langduriger bewoning – met de woning heeft, mede in aanmerking nemend dat die woning zijn ouderlijk huis is, meer gewicht toe.
Een en ander leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat de man een zwaarwegender belang heeft dan de vrouw bij het huurrecht van de woning, zodat het hof dit aan de man toewijst.

(Gerechtshof Amsterdam 19 maart 2013, LJN CA1795)

Terug naar overzicht