Sign. - Valt de stamrecht-BV van de man in de huwelijksgoederengemeenschap?


De man stelt dat de stamrecht-BV niet in de gemeenschap valt. Het hof overweegt als volgt. Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt (een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW), af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 1996 (NJ 1996, 640) is beslist dat in geval van een door de werkgever in verband met beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer toegekende en uitbetaalde schadeloosstelling in de vorm van een bedrag ineens geen plaats is voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel van artikel 1:94 lid 1 BW dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. De man heeft volgens het hof onvoldoende toegelicht dat zich hier de situatie voordoet waarop het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 (LJN BE9080) betrekking heeft, te weten dat de werkgever bij beëindiging van het dienstverband van de man een zodanige koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij heeft gestort dat de man tot de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen periodieke uitkeringen ontvangt waardoor zijn inkomen wordt aangevuld tot 70% van zijn laatstgenoten salaris. Voor dergelijke gevallen heeft de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest beslist dat de aanspraken die zien op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap niet in de gemeenschap vallen, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de…

Terug naar overzicht