Sign. - Verdeling van gemeenschap van winst en verlies


Het geschil tussen M en V spitst zich toe op de vraag in hoeverre de (waarde van de) huidige onderneming van M valt in de gemeenschap van winst en verlies. Artikel 126 lid 1 BW (oud) bepaalt dat buiten de gemeenschap vallen de goederen en schulden die behoren tot een door één der echtgenoten uitgeoefend bedrijf of vrij beroep, met uitzondering van registergoederen op naam van de andere echtgenoot. Lid 2 bepaalt vervolgens dat ten bate of ten laste van de gemeenschap komen vergoedingen ten bedrage van winsten en verliezen van het bedrijf of beroep, vast te stellen naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd. Uit de parlementaire geschiedenis van dit artikel blijkt dat bij 'winsten' moet worden gedacht aan zowel de uitgekeerde als de in het bedrijf gehouden winsten.
In het licht van het vorenstaande verwerpt de rechtbank de stelling van V dat zij recht heeft op de helft van de huidige waarde van de onderneming van M. De onderneming op zich valt immers niet in de gemeenschap. Wel valt daarin de in de onderneming gebleven winsten; op de helft daarvan maakt V terecht aanspraak. Voor zover met de in de onderneming gebleven winsten is geïnvesteerd, zal bij de vaststelling van de waarde van het deel waarop V recht heeft van de huidige waarde van die investering dienen te worden uitgegaan. Dat betekent dat in ieder geval zal moeten worden vastgesteld:
1. wat de winsten in de onderneming van M gedurende het huwelijk zijn geweest (waarbij de gelden die zijn besteed aan investeringen in het bedrijf als winst – en niet als bedrijfskosten – moeten worden aangemerkt);
2…

Verder lezen
Terug naar overzicht