Sign. - Vergoeding bij samenwoners


M en V hebben samengewoond, waarbij zij een notarieel samenlevingscontract zijn aangegaan. Tijdens hun affectieve relatie hebben partijen een woning in gemeenschappelijk eigendom verkregen. Ten behoeve van die aankoop heeft M uit eigen middelen een bedrag van € 20.420 (zijnde de netto verkoopopbrengst van zijn eigen woning) voldaan. Na het beëindigen van de relatie in 2010 is vorenbedoelde woning, met de daarop rustende hypothecaire lening, aan M toebedeeld. V stelt dat de rechtbank ten onrechte niet de spaarhypotheekverzekering in de verdeling heeft betrokken. De waarde van deze verzekering per 18 november 2011 (de datum waarop de akte van partiële verdeling is verleden) dient nog bij helfte tussen partijen verdeeld te worden, aldus V.
Het hof is van oordeel dat V onvoldoende heeft gesteld om haar vordering toe te wijzen. De enkele omstandigheid dat zij (evenals M) begunstigde is van deze verzekering, is onvoldoende om de gevolgtrekking te kunnen maken dat zij aanspraak heeft op de helft van de waarde daarvan.
V betoogt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van het bestaan van een onderhandse lening van de moeder van M aan M ten bedrage van € 38.571,32, waarmee - volgens M – het resterende deel van de aanschaf van de woning is gefinancierd, alsmede andere uitgaven zoals aankleding en stoffering van de woning. Deze onderhandse lening is bij V onbekend; zij heeft niet als contractspartij gefungeerd.
Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat V geen contractspartij was bij de betreffende geldlening, niet afdoet aan een vergoedingsrecht van M. Dat op de lening inmiddels door M is afgelost, zoals V…

Verder lezen
Terug naar overzicht