Sign. - Verhuisverbod opgelegd


M en V hebben een affectieve relatie gehad. Tijdens die relatie is in 2008 dochter D geboren. M heeft D erkend. V heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag over D en is voornemens op zeer korte termijn met haar naar Ierland te verhuizen. M verzoekt de voorzieningenrechter zulks te verbieden. De voorzieningenrechter stelt voorop dat M en V zich in hun onderlinge verhouding ten aanzien van het contact tussen D en M dienen te gedragen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
V heeft, zo vervolgt de voorzieningen-rechter, in beginsel volledige vrijheid haar leven naar eigen goeddunken in te richten en haar woonplaats te kiezen. Op grond van het eenhoofdig ouderlijk gezag heeft zij ook de bevoegdheid om te beslissen over de vraag waar D moet verblijven. Die vrijheid vindt haar begrenzing daar waar de belangen van D onaanvaardbaar in het gedrang komen. Een van die belangen is instandhouding van de band tussen D en M. Volgens de voorzieningenrechter heeft V de noodzaak van een verhuizing naar Ierland niet aannemelijk gemaakt. Hetgeen V heeft aangevoerd over de verslechterde verstandhouding tussen haar en M, en de daardoor bij haar ontstane grote behoefte aan rust, doet daar niet aan af. In het kader van een kort geding is geen plaats voor een diepgaand feitenonderzoek. De voorzieningenrechter constateert dat de klachten van V tot op heden niet hebben geleid tot stopzetting van de omgang. De voorzieningenrechter is bovendien niet gebleken dat V voldoende heeft nagedacht over redelijke alternatieven ter verzachting van de ingrijpende gevolgen van de verhuizing naar Ierland voor de contacten van D met M. Het ter zitting door V gedane voorstel tot alternatief contact (via Skype…

Terug naar overzicht