Sign. - Verlaging erfbelasting vanwege voortgezette bewoning door partner van erflater


M is in 2010 overleden. Vóór zijn overlijden heeft M met zijn kinderen en zijn vriendin (V) een schriftelijke overeenkomst gesloten, waaruit volgt dat als M overlijdt, V de woning van M nog een jaar mag blijven gebruiken zonder huur te zijn verschuldigd. De kinderen van M hebben zijn nalatenschap geërfd. Voor de rechtbank is in geschil voor welke waarde de woning in aanmerking moet worden genomen voor de erfbelasting.
Artikel 21 lid 8 SW bepaalt dat de waarde van een verhuurde woning waarop afdeling 7.4.5 BW van toepassing is, moet worden gesteld op een van de huurprijs afhankelijk percentage van de WOZ-waarde (in casu € 394.000). In de bezwaarfase hebben de kinderen en de belastinginspecteur zich gezamenlijk op het standpunt gesteld dat artikel 21 lid 8 SW hier van toepassing is. De onderhavige overeenkomst verschaft V een aanspraak op voortgezet gebruik van de woning. Kennelijk hebben M en de kinderen haar bij de overeenkomst in de gelegenheid gesteld zich zonder onmiddellijke zorg over haar huisvesting in te stellen op de nieuwe situatie na het overlijden van M. In de overeenkomst is nadrukkelijk vastgelegd dat de woning gedurende één jaar aan V ter beschikking wordt gesteld. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst het gebruik van een woonruimte betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is zodat afdeling 7.4.5 BW niet van toepassing is (artikel 7:232 lid 2 BW) en derhalve het waarderingsvoorschrift van artikel 21 lid 8 SW niet kan worden gevolgd.
Uitgaande van de – door de rechtbank dus juist bevonden – rechtsopvatting…

Terug naar overzicht