Sign. - Vermoeden samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW ontzenuwd


Het huwelijk van M en V, waaruit één kind is geboren, is in 2009 door echtscheiding ontbonden. Ingevolge de echtscheidingsbeschikking is M gehouden aan V een maandelijks bedrag van € 875 wegens partneralimentatie te voldoen. Volgens M dient deze onderhoudsbijdrage aan V op nihil te worden gesteld, aangezien V met haar nieuwe partner X samenwoont als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren (artikel 1:160 BW). In zijn tussenbeschikking van 8 maart 2012 heeft het hof V toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het door M opgeworpen – en door het hof voorshands aangenomen – vermoeden dat zij met X samenwoont als waren zij gehuwd. Volgens V is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW, omdat in haar situatie niet aan alle cumulatieve vereisten van dat artikel wordt voldaan. De Hoge Raad bepaalde op 3 juni 2005 (LJN AS5961) dat voor het aannemen van samenwoning als waren zij gehuwd, moet worden gekeken naar de kenmerken van een normaal huwelijk, waarbij één van die kenmerken, ondanks het vervallen van de wettelijke verplichting tot samenwoning in een huwelijk, de feitelijke samenwoning is. Daarvan is volgens V in het onderhavige geval geen sprake: V en X zien elkaar slechts enkele weekenden per maand en tijdens verjaardagen en feestdagen. Van een affectieve relatie van duurzame aard is volgens V evenmin sprake, omdat – nu zowel V als X twijfels hebben over hun relatie – de duurzaamheid ontbreekt. tot slot voert V aan dat geen sprake is van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Volgens V is sprake van volledig gescheiden huishoudens…

Terug naar overzicht