Sign. - Vernietiging erkenning


Vaststaat dat A in de periode 1993-1995 ontucht heeft gepleegd met de dochter, die destijds tussen de 12 en 14 jaar was. A is voor deze feiten onherroepelijk veroordeeld en heeft aan de dochter een bedrag uit hoofde van schadevergoeding voldaan. De erkenning door A van de dochter heeft in 1991 plaatsgevonden met toestemming van de moeder van de dochter. De dochter is gedurende haar minderjarigheid bekend geworden met het feit dat A niet haar biologische vader is. Ingevolge artikel 1:205 lid 4 BW zou de dochter binnen drie jaren na het bereiken van de meerderjarigheid de vernietiging van de erkenning hebben moeten verzoeken. De rechtbank acht het aannemelijk dat de dochter tot het voeren van een dergelijke procedure niet in staat was vanwege haar psychische toestand, waarvoor zij zich onder behandeling heeft moeten stellen. Het ontstaan van deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank volledig toe te rekenen aan A, zodat het de dochter niet kan worden tegengeworpen dat zij deze termijn onbenut heeft laten verstrijken. Op het moment dat de psychische toestand van de dochter het wel mogelijk maakte om te onderzoeken welke mogelijkheden haar ten dienste stonden om de familierechtelijke betrekkingen met A te verbreken, bleek de hiervoor beschikbare termijn te zijn verstreken. Gegeven deze feiten en omstandigheden zou het naar het oordeel van de rechtbank een onaanvaardbare situatie opleveren wanneer de dochter geen mogelijkheden meer zou hebben om de door erkenning ontstane familierechtelijke betrekking tussen haar en de erkenner die haar heeft misbruikt, aan te tasten. Instandhouding van de erkenning is dan ook in strijd met de Nederlandse openbare orde.

(Rechtbank Almelo 30 november 2011, LJN BU9494)

Terug naar overzicht