Sign. - Verrekening kosten huishouding bij einde samenleving


M en V hebben van 1992 tot oktober 2007 een affectieve relatie gehad waaruit twee kinderen zijn geboren. In 1994 zijn zij gaan samenwonen; vanaf 1995 tot 2001 in de aan M in eigendom toebehorende woning A en vanaf 2001 in woning B. In 1995 hebben partijen een notarieel samenlevingscontract gesloten. In deze overeenkomst is in artikel 5 bepaald dat partijen zich verplichten maandelijks naar evenredigheid van hun netto-inkomen uit arbeid bij te dragen aan de gemeenschappelijke rekening en/of kas, zodanig dat daarmee de kosten van de gewone gang van de huishouding kunnen worden bestreden. In artikel 12 is bepaald dat partijen zich jegens elkaar verplichten tot het bijhouden van een eenvoudige administratie, waaruit het verloop van beider privévermogen, alsmede dat van de gemeenschappelijke rekening en/of kas blijkt. In juli 1999 is een tweede hypotheek gevestigd op woning A. Beide partijen zijn voor deze hypotheek hoofdelijk aansprakelijk. De tweede hypotheek is gevestigd met de bedoeling het geleende geld te beleggen.
M vordert van V een bedrag van €?57.631,83, zijnde 50% van de door hem betaalde woonlasten. M beroept zich op artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst. Hij stelt dat partijen verplicht waren naar evenredigheid bij te dragen aan de kosten van de huishouding, waaronder de woonlasten. Omdat V zeer onregelmatig en volstrekt onvoldoende op de gezamenlijke rekening van partijen stortte en de vaste lasten vele malen hoger waren, was M genoodzaakt de hypotheekrente, energienota en andere vaste lasten van zijn privérekening te voldoen, in plaats van de en/of-rekening van partijen. Volgens V heeft zij – in verhouding tot haar…

Terug naar overzicht