Sign. - Verrekening van vermogen bij echtscheidingsconvenant


Partijen zijn in 1986 op huwelijkse voorwaarden, met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, gehuwd. Wel bevatten de huwelijkse voorwaarden een verrekenbeding, maar uitsluitend ter zake van overgespaarde inkomsten. Dit beding is tijdens het huwelijk niet nagekomen. In 2003 komen partijen overeen dat, indien zij op enig moment uit elkaar mochten gaan, zij 'in financieel opzicht met elkaar afrekenen als ware het dat alle vermogensbestanddelen van hen samen zijn, ieder voor de helft'. In deze overeenkomst wordt verwezen naar 'het overeengekomene in hun huwelijksvoorwaarden'.
Op 25 juni 2007 sluiten partijen opnieuw een overeenkomst. Daarin is opgenomen dat beide echtelieden ieder een gelijk deel zullen ontvangen nadat alle bezittingen zijn verkocht, dan wel te gelde zijn gemaakt. Als bezittingen worden onder meer genoemd een 'woning en recreatieverblijf' en een viertal recreatiewoningen.
Het huwelijk tussen partijen eindigt in augustus 2007, als de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In deze beschikking is bepaald dat de daaraan gehechte overeenkomst van 25 juni 2007 als in de beschikking herhaald en ingelast wordt beschouwd.
In de onderhavige procedure hebben partijen over en weer afrekening gevorderd met betrekking tot de huwelijksvermogensbestanddelen. In conventie is de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 281.296,25.
De vrouw heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep aangetekend. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de overeenkomst van 2003 een wijziging van de huwelijkse voorwaarden staande huwelijk inhoudt en dat een dergelijke wijziging op straffe van nietigheid met goedkeurig van de rechtbank had moeten geschieden. Zie in dit verband artikel 1:119 BW. In…

Terug naar overzicht