Sign. - Verrekening van verpande vorderingen


De rechtbank stelt allereerst vast dat rechtsgeldig een pandrecht tot stand is gekomen op drie toekomstige vorderingen op het moment van registratie van de pandakte (28 oktober 2008). Gedaagde heeft als verweer een beroep gedaan op verrekening op grond van art. 6:130 BW. Op grond van art. 6:130 BW kan gedaagde in beginsel een vordering verrekenen nadat de bank het pandrecht aan gedaagde heeft medegedeeld (29 juni 2010), mits die vordering voor de mededeling van het pandrecht is ontstaan en opeisbaar is geworden dan wel die vordering uit dezelfde rechtsverhouding als de verpande vordering voortvloeit. De verrekeningsmogelijkheden van gedaagde kunnen echter zijn beperkt door de tussen partijen gesloten akte van achterstelling. De vraag of de achterstelling maakt dat de te verrekenen vorderingen niet opeisbaar waren en dus niet kunnen worden verrekend, hangt af van wat partijen over de achterstelling zijn overeengekomen. in de akte van achterstelling wordt enkel de door gedaagde aan Versluis verstrekte geldlening genoemd. Dat partijen bij de akte eveneens de samenwerkingsovereenkomst hebben willen achterstellen, blijkt daar niet uit. in de algemene bepalingen is (onder andere) opgenomen dat gedaagde geen aflossingen en rente op de achtergestelde vordering (de geldlening) in ontvangst mag nemen. in afwijking van die algemene bepalingen is in de bijzondere bepaling bepaald dat gedaagde bevoegd is betalingen op de geldlening in ontvangst te nemen, mits niet meer rente en aflossing wordt betaald dan Versluis op enig moment op grond van de geldleningovereenkomst verschuldigd is. Partijen hebben er kennelijk voor gekozen in genoemde bijzondere bepaling af te wijken van de standaardtekst die meer zekerheid bood. Bovendien heeft de bank, die ter zake als professionele…

Verder lezen
Terug naar overzicht