Sign. - Vervangende toestemming erkenning


Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan vervangende toestemming tot erkenning worden gegeven aan de man die het kind wil erkennen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden en de man de verwekker is van het kind. Dat de man de verwekker is van de minderjarige, is niet langer in geschil, zodat uitsluitend nog dient te worden beoordeeld of de belangen van de vrouw en de minderjarige als bedoeld in genoemde bepaling worden geschaad door erkenning van de minderjarige door de man. Bij deze beoordeling komt het aan op een afweging van de belangen van betrokkenen, waarbij als uitgangspunt geldt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking.'
Van schade aan de belangen van het kind is volgens vaste jurisprudentie slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Nog daargelaten de vraag of hetgeen de vrouw stelt de conclusie rechtvaardigt dat erkenning dergelijke schade toebrengt, is het hof van oordeel dat de vrouw haar stellingen, tegenover de betwisting daarvan door de man in eerste aanleg, onvoldoende heeft onderbouwd, nu zij geen enkel schriftelijk stuk heeft overgelegd (bijvoorbeeld een aangifte of een doktersverklaring) dat een aanwijzing bevat voor de juistheid van haar stellingen. Aan die stellingen moet dus worden voorbijgegaan, zodat niet aannemelijk is geworden dat de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige…

Terug naar overzicht