Sign. - Vestiging in het buitenland en het ouderschapsplan


Partijen hebben een echtscheidingsverzoek ingediend. Zij hadden op dat moment nog geen overeenstemming over het ingevolge de wet vereiste ouderschapsplan. Ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek woonden partijen nog samen met hun kinderen in Den Haag. In deze procedure heeft de moeder echter – bij gebreke van toestemming van de vader – vervangende toestemming verzocht om met beide kinderen (die zowel de Belgische als de Spaanse nationaliteit hebben) naar Sevilla te verhuizen (ex. artikel 1:253a lid 1 BW). Zij heeft namelijk een baan als arts aanvaard in Spanje. De rechtbank verleent toestemming voor de verhuizing en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, waarop de moeder inderdaad met de kinderen verhuist.
In appel vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank. De rechtbank had toestemming verleend, terwijl er nog geen begin was van een regeling omtrent de zorg- en opvoedingstaken voor het geval de minderjarigen in Spanje (in plaats van in Nederland) hun hoofdverblijf zouden krijgen. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat een dergelijke regeling – uitgaande van de door de wet nagestreefde gelijkwaardigheid – tot stand komt. Bij die stand van zaken is er, aldus het hof, geen grond voor het verlenen van vervangende toestemming en moet het verzoek van de moeder alsnog worden afgewezen. Het risico dat gelijkwaardigheid niet meer kan worden nagestreefd of bereikt wordt, zo motiveert het hof zijn beslissing, bijzonder groot in een situatie dat het hoofdverblijf van de minderjarigen in Spanje zal worden bepaald.
Het hof gaat ervan uit dat partijen in het kader van de regeling van de gevolgen van de echtscheiding alsnog een gelijkwaardig ouderschap…

Verder lezen
Terug naar overzicht