Sign. - Volgens hof waren leningen tussen ex-echtgenoten inmiddels verjaard


M en V zijn in oktober 1989 gehuwd op huwelijkse voorwaarden, waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten. In het begin van het huwelijk heeft V bedragen aan M uitgeleend. Op 7 augustus 2008 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, op 22 augustus 2008 is de beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Thans vordert V dat M de geldleningen terugbetaalt. Volgens M zijn de vorderingen verjaard.
Het verweer van M slaagt. Het betreft vorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst. Daarvoor geldt, ingevolge artikel 3:307 BW en het daarop toepasselijke overgangsrecht, een verjaringstermijn van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Omdat niets is gesteld omtrent de tijd die voor de nakoming is bepaald, moet het ervoor worden gehouden dat de vorderingen terstond opeisbaar waren. Daarmee zijn de vorderingen nog tijdens het huwelijk verjaard. Weliswaar wordt de verjaring in casu (op grond van artikel 3:321 en 3:320 BW) verlengd tot zes maanden na ontbinding van het huwelijk van partijen, maar niet gebleken is dat V vóór 22 februari 2009 de verjaring heeft gestuit.

(Gerechtshof Arnhem 24 juli 2012, LJN BX2664)

Terug naar overzicht