Sign. - Volgens hof was driejaarstermijn voor vernietiging van verdeling verstreken


Het huwelijk van M en V is op 24 mei 2007 ontbonden door inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Voorafgaand aan de echtscheiding hebben M en V op 2 april 2007 een echtscheidingsconvenant ondertekend waarbij onder meer de huwelijksgoederengemeenschap is verdeeld. Thans vordert V vernietiging van de verdeling, omdat zij voor meer dan een kwart zou zijn benadeeld. Als verweer voert M aan dat de rechtsvordering van V is vervallen, omdat V deze pas eind april 2010 aanhangig heeft gemaakt en dat is buiten de driejaarstermijn van artikel 3:200 BW.
In hoger beroep oordeelt het hof dat volgens de parlementaire geschiedenis als tijdstip van verdeling heeft te gelden het moment waarop de overeenkomst tot verdeling tot stand komt. Volgens het hof is dat hier 2 april 2007. Dit betekent dat V de rechtsvordering tot vernietiging niet binnen drie jaren na deze datum aanhangig heeft gemaakt.  Het hof passeert de stelling van V dat de verdeling eerst tot stand is gekomen door de notariële verdelingsakte van 5 juli 2007, dan wel door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dat M en V hebben beoogd de verdeling eerst te effectueren op het moment van de echtscheiding, is volgens het hof niet in overeenstemming met het feitelijk handelen van partijen, aangezien zij reeds vóór de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand (grotendeels) uitvoering hebben gegeven aan de door hen in het echtscheidingsconvenant overeengekomen verdeling.

(Gerechtshof Amsterdam 2 april 2013, LJN BZ8622)

Terug naar overzicht