Sign. - Voogdij, moeder in detentie, uitoefening gezag


Op 4 januari 2012 heeft de kinderrechter de Stichting belast met de voorlopige voogdij over voornoemde minderjarige voor de duur van zes maanden. De moeder verzet zich daartegen. De raadsvrouwe heeft (onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 11 juli 2007, LJN BB0055) aangevoerd dat het enkele feit van detentie niet met zich brengt dat de moeder het gezag niet kan uitoefenen; daar moeten bijzondere omstandigheden bijkomen. De moeder is vanuit haar detentie goed in staat haar gezag uit te oefenen en kan daartoe (telefonisch) contact opnemen met de verzorgers van haar kind.
In hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het in voormelde beschikking van 4 januari 2012 geformuleerde oordeel te wijzigen. De onderhavige situatie is niet vergelijkbaar met die in de door de raadsvrouwe aangehaalde beslissing, reeds omdat de minderjarige niet bij zijn vader maar bij pleegouders verblijft en de moeder een tolk nodig heeft om met hen te communiceren.

(Rechtbank Haarlem 13 januari 2012, LJN BV7311)

Terug naar overzicht