Sign. - Voorlopige vaststelling onderhoudsbijdrage tijdens echtscheidingsprocedure


M en V hadden samen een vof, waarin zij onafhankelijk van elkaar activiteiten ontplooiden. Partijen zijn apart gaan wonen, de echtscheiding is (nog) niet uitgesproken. Door haar verhuizing kan V niet langer de kledingwinkel in de echtelijke woning runnen. V heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat M haar maandelijks € 1.500 dient te betalen. M stelt dat het een bewuste keuze van V is om geen inkomen te hebben.
De rechtbank is van oordeel dat de keuze van V om naar Apeldoorn te verhuizen een begrijpelijke keuze is, maar het feit dat zij ten gevolge daarvan niet meer in staat is de winkel voort te zetten, dient niet voor rekening van M te komen. Daarom stelt de rechtbank de verdiencapaciteit van V op de opbrengst van de winkel, zijnde € 6.668 netto per jaar, ofwel € 556 netto per maand. Niet is aannemelijk geworden dat zij in staat kan worden geacht op zeer korte termijn met inkomsten uit arbeid hogere inkomsten te verwerven. Wel wordt van V verwacht dat zij er alles aan doet om een baan te vinden waarmee zij zo zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud gaat voorzien.
Op grond van artikel 1:81 BW dienen echtgenoten elkaar zolang het huwelijk duurt over en weer het nodige te verschaffen, zodat het volgens de rechtbank – in ieder geval in het kader van de voorlopige voorziening – niet redelijk is van V te verlangen in te teren op haar vermogen.
Uitgaande van een verzamelinkomen van € 10.375 berekent de rechtbank de winst uit de vof die aan M werd toegerekend, rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, …

Verder lezen
Terug naar overzicht