Sign. - Voornaamswijziging


Naar het oordeel van het hof staat vast dat de door verzoekster gewenste voornaam niet ongepast is in de zin van artikel 1:4 lid 2 BW, dat deze niet overeenstemt met een bestaande geslachtsnaam en het daarnaast voor verzoekster ook feitelijk mogelijk is de naam [W] als tweede voornaam te voeren. 
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij al jarenlang lijdt onder de vrees voor misbruik van haar identiteit door derden en dat zij van mening is dat toevoeging van de voornaam [W] haar vrees zal wegnemen en haar gemoedsrust zal geven. Zij vermoedt dat haar huidige naam door anderen, onder wie haar broer, voor illegale doeleinden gebruikt wordt, maar zij kan niet aangeven waarop haar vermoedens gebaseerd zijn en op welke wijze het door haar gevreesde misbruik voorkomen kan worden door toevoeging van de naam [W]. Voorts heeft verzoekster verklaard dat zij door haar familie noch door anderen ooit [W] is genoemd, dat zij deze voornaam zelf niet voert en ook nooit gevoerd heeft en dat deze voornaam geen bijzondere betekenis voor haar heeft. 
Het hof is van oordeel dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij feitelijk hinder ondervindt van de voornaam [M] zonder toevoeging van [W] als tweede voornaam. Hoewel aannemelijk is dat verzoekster een persoonlijk belang ervaart bij toevoeging van de voornaam [W] doordat – naar zij hoopt – voornoemde vrees daardoor zal verminderen of verdwijnen, heeft zij geen feiten of omstandigheden gesteld die dat subjectieve belang in meer of mindere mate kunnen objectiveren. Al hetgeen zij ter zitting heeft aangevoerd komt naar het oordeel van het hof uitsluitend voort uit haar persoonlijke beleving…

Terug naar overzicht