Sign. - Voorzieningenrechter onbevoegd bij vordering tot nakoming ouderschapsplan


Ingevolge artikel 8 lid 1 Brussel II-bis (de algemene bevoegdheidsregel) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Nu de minderjarige haar gewone verblijfplaats bij de vrouw in België heeft, is de voorzieningenrechter op grond van voormeld artikel onbevoegd om van de vordering van de man kennis te nemen. Onder bepaalde omstandigheden kunnen degene die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind dragen zelf de rechter aanwijzen die kennis kan nemen van een verzoek met betrekking tot die ouderlijke verantwoordelijkheid. De man doet in onderhavige zaak een beroep op artikel 12 lid 3 Brussel II-bis. Ingevolge dit artikel zijn de gerechten van een lidstaat bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien (a) het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name, omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan is van die lidstaat en (b) hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd. Namens de vrouw is ter zitting verklaard dat zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet aanvaardt. Derhalve is niet voldaan aan de in artikel 12 lid 3 Brussel II-bis gestelde vereisten, zodat de voorzieningenrechter evenmin op grond van dit artikel bevoegd is om van de vorderingen van de van kennis te nemen.

(Rechtbank Middelburg 14 februari 2012, LJN…

Terug naar overzicht