Sign. - Vordering tot verdeling pensioen is verjaard


M en V zijn in 1964 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is in 1984 ontbonden door echtscheiding. Partijen hebben in 1984 de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap bij notariële akte verdeeld. In de verdelingsakte staat vermeld: 'Partijen houden pensioenaanspraken van [M] in onverdeeldheid'. Sinds 1 april 2006 ontvangt M een pensioenuitkering. Op 30 september 2011 heeft de V (althans, haar advocaat) M schriftelijk verzocht om in onderling overleg alsnog over te gaan tot verdeling van de door hem opgebouwde pensioenrechten. Volgens M is de vordering tot verdeling van de pensioenrechten verjaard op grond van artikel 3:306 BW. M wijst in dat verband op Hof Arnhem 12 mei 2009 (LJN BJ3742). V stelt daarentegen dat de pensioenrechten simpelweg onverdeeld zijn gebleven. Het staat haar te allen tijde vrij om verdeling daarvan te vorderen omdat een dergelijk recht niet kan verjaren, aldus V.
Anders dan V is de rechtbank van oordeel dat het vorderingsrecht aan verjaring onderhevig is. Ingevolge artikel 3:306 BW verjaart deze rechtsvordering door verloop van twintig jaar. Nu de wet hieromtrent niet anders bepaalt, geldt in het onderhavige geval dezelfde verjaringstermijn. Met M is de rechtbank van oordeel dat deze verjaringstermijn is aangevangen op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeslissing in de registers van de burgerlijke stand, te weten 28 mei 1984. Op dat moment werd immers de gemeenschap van goederen ontbonden en kwam deze voor verdeling in aanmerking. Dit betekent dat, voor zover V al een pensioenverrekeningsvordering had op M, de rechtsvordering van V op 29 mei 2004 is verjaard. De inleidende dagvaarding van V dateert van…

Terug naar overzicht