Sign. - Waarderingsperikelen bij het verdelen van de huwelijksgemeenschap


Bij de verdeling van hun door echtscheiding ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, is tussen M en V onder meer een geschil ontstaan over de waardering van de echtelijke woning, een lijfrentepolis van M en twee beleggingsverzekeringen van M.
In hoger beroep stelt het hof vast dat de woning is getaxeerd op € 245.000. Volgens het hof heeft de makelaar ten onrechte geen rekening gehouden met de wegens maatschappelijk gebonden eigendom (MGE) geldende waardedrukkende verplichting om bij (het voornemen tot) vervreemding de woning tegen een bepaalde prijs aan te bieden aan de woningstichting, die dan verplicht is de woning tegen die prijs af te nemen. Gelet op de door de woningstichting gehanteerde berekeningsmethodiek van de terugkoopprijs, stelt het hof de waarde van de echtelijke woning vast op € 200.400.
Ten aanzien van de lijfrentepolis overweegt het hof dat M genoegzaam heeft aangetoond dat de lijfrentepolis niet kan worden gesplitst, zodat hij deze zal moeten afkopen. Het hof acht het daarom redelijk rekening te houden met de op de polis rustende belastingclaim. V heeft tegen het door M gestelde percentage van de belastinglatentie (52%) op zichzelf geen bezwaar gemaakt, maar slechts gesteld dat van een belastingclaim niet is gebleken. Het hof deelt de polis conform het verzoek van M aan hem toe, met (nu tot afkoop moet worden overgegaan) inachtneming van een belastingclaim van 52% over het totaalbedrag van de betalingen dat op de polis is gedaan.
Met betrekking tot de beleggingsverzekeringen overweegt het hof dat M niet heeft aangetoond dat ook deze polissen zullen worden afgekocht. Nu derhalve thans niet vaststaat dat M voornemens is deze polissen af te kopen…

Terug naar overzicht