Sign. - Werkingsduur van bij voorlopige voorzieningen getroffen regelingen met betrekking tot minderjarigen


Anders dan de vrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de bij de beschikking van 24 april 2008 getroffen voorlopige voorzieningen met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet hun werking hebben verloren. De rechtbank baseert zich daarbij op een commentaar van professor mr. J.E. Doek in de Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering bij artikel 826 Rv (geldigheidsduur van voorlopige voorzieningen), waarbij onder meer het volgende wordt vermeld. Als gevolg van de regel dat de ouders na een (echt)scheiding het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen (uiteraard voor zover zij ook tijdens het huwelijk het gezamenlijk gezag hadden), doet zich een probleem voor als door een van de ouders voorlopige voorzieningen ten aanzien van de kinderen is gevraagd en toegewezen, bijvoorbeeld inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Immers, als gevolg van deze regel is in de meeste echtscheidingen (meer dan 90%) waarin minderjarige kinderen zijn betrokken geen sprake van een gezagsbeschikking en dus ook niet van een aanvang van het gezag als omschreven in artikel 1:253p BW. Voor de hand ligt om in dergelijke gevallen uit te gaan van de algemene regel: deze voorlopige voorzieningen te laten eindigen op het moment van inschrijving van de (echt)scheidingsbeschikking. Maar als ter zake van het onderwerp van de voorlopige voorziening een nevenvoorziening is gevraagd (bijvoorbeeld met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of de alimentatie) en daarover bij een latere beschikking (na het tijdstip van de inschrijving van de scheidingsbeschikking) wordt beschikt, ontstaat een gat tussen het einde van de voorlopige voorziening en het begin van…

Verder lezen
Terug naar overzicht