Sign. - Winsten van bv moeten worden verrekend op grond van redelijkheid en billijkheid


M en V zijn in 1994 gehuwd op huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. Na echtscheiding twisten zij over de vraag of de winsten van de bv, waarvan
M sinds 1993 directeur en enig aandeelhouder is, onder het verrekenbeding vallen. De rechtbank beantwoordde die vraag bevestigend (LJN BU2907), stellende dat
M en V impliciet een verrekenbeding zijn overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat als bedoeld in artikel 1:141 lid 4 BW.
M heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Volgens M hebben partijen vóór het huwelijk afgesproken dat V geen aanspraak op het vermogen van de bv zou laten gelden. Volgens M kan die bedoeling worden afgeleid uit de tekst van de huwelijkse voorwaarden, waarin – bij de omschrijving van het inkomensbegrip – expliciet aansluiting is gezocht bij de toen geldende Wet IB 1964 en het daarin genoemde begrip 'belastbaar inkomen', waarbij de 'zuivere inkomsten uit vermogen' en de 'inkomsten die zijn belast naar een bijzonder tarief' uitdrukkelijk van het inkomensbegrip zijn uitgesloten.
Het hof stelt vast dat volgens de huwelijkse voorwaarden het inkomen als bedoeld in de Wet IB 1964 moet worden verrekend, met uitzondering van de inkomsten die worden belast naar een bijzonder tarief en de inkomsten uit vermogen. Volgens de destijds geldende bepalingen vallen zowel de dividenduitkeringen door de bv als de aanmerkelijk belangwinst (behaald bij vervreemding van de aandelen in de bv) niet onder het periodiek verrekenbeding. Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden niet wijzen in de richting dat de winsten van een bv tussen M en V moeten worden verrekend. Verder komt het hof tot de conclusie dat de stellingen…

Verder lezen
Terug naar overzicht