Sign. - Woonrecht dat was toegekend aan langstlevende was aftrekbaar voor erfbelasting


X c.s. (hierna: de kinderen) zijn erfgenamen van hun vader (M), die in 2003 is overleden. Na het overlijden van M is zijn vriendin (V) in de woning blijven wonen die behoorde tot de nalatenschap van M. Het hof (ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2221) hechtte geloof aan de verklaring van de kinderen dat M met hen de afspraak had gemaakt dat V na het overlijden van M om niet in de woning mocht blijven wonen en dat V deze afspraak vóór het overlijden van M had aanvaard. Volgens het hof was hierdoor sprake van een derdenbeding dat bij de kinderen als last aftrekbaar is voor het successierecht. De Hoge Raad heeft nu het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën verworpen. Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van het hof dat er sprake is van een derdenbeding geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Door dit derdenbeding te aanvaarden ontstond voor V een recht op voortgezette bewoning van de woning na het overlijden van M. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de last die voor de erfgenamen uit dit derdenbeding voortvloeit voor hen een last vormt in de zin van artikel 5 lid 1 SW die op de waarde van hun verkrijging in mindering komt. Of de verkrijging uit het derdenbeding in de heffing van successierecht kan worden betrokken, is voor die vermindering niet van belang. De staatssecretaris heeft nog betoogd dat het derdenbeding op grond van artikel 7:177 BW met het overlijden van M is komen te vervallen. Volgens de Hoge Raad moet dit betoog, waarin ligt begrepen dat geen sprake is van voldoening aan een…

Verder lezen
Terug naar overzicht