Sign. - WWIK-uitkering had geen gevolgen voor de erfgenaam


De moeder van X is in 2009 overleden. Volgens het testament is X erfgenaam, onder de bepaling dat hetgeen hij van de erfenis bij zijn overlijden onverteerd en onvervreemd heeft overgelaten, zal toekomen aan zijn kinderen. Het testament bepaalt verder dat het fideï-commissair verband onder meer eindigt op het tijdstip dat X 'een overheidsbijdrage aanvraagt en (ver)krijgt krachtens een overheidsregeling, die inhoudt dat alvorens de overheidsbijdrage kan worden genoten het eigen vermogen geheel of gedeeltelijk ingeteerd dient te zijn hetzij dat de overheidsbijdrage geheel of gedeeltelijk op het eigen vermogen verhaalbaar is.' Zowel bij het opstellen van het testament als bij het overlijden van moeder genoot X als muzikant een uitkering krachtens de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (WWIK). Voor de rechtbank is in geschil of X door de uitkering nog recht heeft op de erfenis.
Volgens de rechtbank gaat het hier om uitleg van het testament conform artikel 4:46 BW. Als strikt de tekst van het testament wordt gevolgd, is de ontbindende voorwaarde niet van toepassing, nu X ten tijde van het opstellen van het testament en het overlijden van moeder reeds een overheidsbijdrage genoot en nadien geen overheidsbijdrage heeft aangevraagd. De rechtbank ziet geen reden om van deze strikte interpretatie af te wijken, omdat dit anders zou betekenen dat reeds op het moment van het opstellen van het testament er een te voorziene kans was dat X vanwege zijn uitkering feitelijk onterfd zou worden. Uit de stukken die X heeft overgelegd, blijkt dat dit niet de bedoeling was van de testatrice.
Verder blijkt uit een brief van de notaris die het testament heeft opgesteld dat het de bedoeling…

Terug naar overzicht