Voordeel in verband met garantstelling deels belast


Samenvatting

Belanghebbende is de Europese hoofdvestiging van een Japans concern dat zich bezighoudt met de productie van en handel in meet- en positioneringsapparatuur. Belanghebbende is moedervennootschap van een fiscale eenheid waartoe ook haar dochtervennootschap A behoort. Deze A verkoopt producten aan B, een in Spanje gevestigde distributeur. Ter zake van de vorderingen van A op B heeft belanghebbende in haar commerciële jaarrekening een voorziening opgenomen tot een bedrag van € 6.000.000 en in haar fiscale jaarrekening deze vorderingen met hetzelfde bedrag ten laste van de winst afgewaardeerd. In 2010 heeft een zustervennootschap van belanghebbende, D, alle aandelen in B verworven en heeft D een garantie gegeven ter zake van de op 31 maart 2010 bestaande en toekomstige verplichtingen van B jegens A (hierna: de garantstelling). Na de garantstelling heeft belanghebbende de vorderingen op B commercieel op nominale waarde geboekt. Fiscaal heeft belanghebbende tegenover het opwaarderen van de vorderingen een kapitaalstorting geboekt. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur het desbetreffende bedrag tot de belastbare winst gerekend. Na verwijzing door de Hoge Raad dient het hof opnieuw te onderzoeken of het voordeel dat A heeft ontleend aan de garantstelling door D geheel of ten dele zijn grond vindt in haar vennootschappelijke betrekkingen, rekening houdend met de zakelijke belangen van D onderscheidenlijk A bij het financieel overeind houden van B. Het hof acht het aannemelijk dat zowel A als D zakelijke belangen had bij het financieel overeind houden van B. Op grond hiervan acht het hof het in ieder geval niet aannemelijk dat het voordeel volledig zijn grond vindt in de vennootschappelijke betrekkingen. Rekening houdend met de weging van de verschillende bewijsmiddelen en de (geringe…

Verder lezen
Terug naar overzicht